U bent hierHome / Oudemannenpraat

Oudemannenpraat


04 Maart 2016

Eloy BGM Everwijn

Ik ben nu vijfenzestig jaar. Op het moment dat ik dit schrijf, duurt het nog twee weken dat ik mijn AOW krijg. 65 was vroeger een magisch getal. Nu is door de nieuwste ontwikkelingen in de pensioengedachte deze prachtige leeftijd om zeep geholpen. Twee maanden later na mijn verjaardag kan ik pas van Drees trekken. U moet ook al heel oud zijn als u deze uitdrukking begrijpt.

Ik voel mij niet oud. Ik lees de kleine lettertjes nog zonder bril. Dat was vroeger een teken dat je nog vief was. Dat komt omdat de arbeider zelden las en zijn ogen spaarde voor de verte. Als hij ook nog kon lezen zonder bril, was hij heel gezond. Ik heb vanaf mijn twaalfde de wereld alleen mét bril kunnen bekijken.

Ik ben ervan overtuigd dat we met onze herinneringen onszelf creëren. Niet expres natuurlijk, zo slim is de mens niet. Die eerste - en helaas valse - herinnering van mij zegt veel over mij. Ik denk dat ik een gelukkige jeugd heb gehad. Daar sta ik nogal alleen in. Mijn leeftijdgenoten hebben meestal een nare jeugd gehad, geteisterd door geloof en andere banaliteiten. Alle ellende die ik heb meegemaakt, heb ik zelf gecreëerd. Dat is tenminste mijn idee en dat schept tevredenheid. Mijn herinneringen zijn zeer bepaald door foto’s. Als ik de oude fotoboeken van mijn moeder bekijk, wordt de vergetelheid geschrapt. Ik zie koppen van mensen en ik denk dat er toen leven geweest is. Van veel koppen heb ik geen idee; mijn moeder verzamelde mensen zoals een ander suikerzakjes. ( Sorry, dat deden ze vroeger echt, net zoals sigarenbandjes en kauwgomplaatjes.) Soms sta ik zelf op die foto’s. Dat stemt mij soms tot een mild afgrijzen, maar meestal valt het mee. De kleine ik was geen sukkel. De kleine ik doet alsof hij recht van bestaan heeft.

Ik heb een hoog beeld van mezelf. Dat is een illusie, maar mensen die een laag beeld van zichzelf hebben, fantaseren ook.

 Foto’s zijn mooi, maar bewegend beeld is beter.

Ik was eens in het ouderlijk huis van mijn helaas overleden vriend Robbie en die liet de oude 8-mm-filmpjes zien die zijn vader vroeger had gemaakt van hem. Dan zie je volstrekt oninteressante beelden van een blond hummeltje dat een bal gooit en in een tuinbadje poedelt. Het enig interessante is dat het Robbie is. En ik was jaloers op hem omdat hij bewegende beelden uit zijn verleden had. De jeugd van tegenwoordig wordt waarschijnlijk al heel wat beter gedocumenteerd dan Robbie. Dat moet iets met je geheugen doen. En dus met je zelfbeeld. Dit soort jeugdregistraties dient overigens door de ouders bewaard te worden. De jongvolwassene zal de neiging hebben die oude beelden uit schaamte weg te gooien. Als je eenentwintig bent wil je niet weten dat je ook twaalf geweest bent. Pas na de dood van de ouders dient het beeldmateriaal overgedragen te worden.

Ik heb een vriend en die ken ik van de kleuterschool. Ik ken hem al zestig jaar. (Het uitroepteken mag u zelf aanbrengen.) Deze vriend bewaakt mijn verleden. Hij falsificeert mijn herinneringen en vult lacunes aan. Hij komt uit Crooswijk, heeft veel gelezen en kan schrijven. Dat schept een band. Onze moeders waren vriendinnen. Zonder hem zou ik minder verleden hebben.

Nieuwe vrienden kennen je verleden niet. Met nieuwe vrienden kan je een nieuwe mens creëren. Stel dat er iets zou bestaan als een kernpersoonlijkheid. Die manifesteert zich in iets dat ik wil vergelijken met een discobol, zo’n ding met honderden spiegelfacetjes. De buitenwereld, dus ook andere mensen, belicht elke keer weer een ander stukje. Door die interactie veranderen we continu. Iemand die niet verandert, heeft geen persoonlijkheid. Oude vrienden houden je bij de les, ook al is het een vervelende.

In de loop van ons leven veranderen onze hersens. Als je ouder wordt, worden er verbindingen in de hersens aangelegd die er van tevoren niet waren. Dat zijn de wijsheidsverbindingen. Dat is erg aardig van die hersens. Als je jong bent, dien je tegen de bierkaai te vechten, met je kop tegen de muur te lopen en in zeven sloten tegelijk. Er dient geëxperimenteerd te worden en de wereld veroverd. Op jonge leeftijd wisselen pijn en extase zich af. Omdat de wijsheid nog niet in pacht is (eigenlijk een vreemde uitdrukking, alsof je wijsheid kunt huren), zijn je daden meestal op goed geluk. En zonder geluk vaart niemand wel. Met de jaren komen de wijsheid en de clichés.

Mijn oude leraar geschiedenis, August Cuypers, legde ons uit wat de leer van de Oudgriekse Stoa inhield. Als de conciërge zou binnenkomen en zou vertellen dat meneer Cuypers de honderdduizend in de loterij had gewonnen, dan werd de boodschapper vriendelijk bedankt voor de mededeling en er zou gewoon doorgegaan worden met de les. Hetzelfde zou gebeuren als de boodschap was dat de zoon van onze leraar overleden was. Ik was zeer geïntrigeerd door zo’n houding. Misschien nastrevenswaardig, maar mijn hormonen en springerigheid stonden dit streven in de weg. In deze fase van mijn leven is de Stoa interessanter. Ik kan me nog steeds kwaad maken om domheden, want ik heb het idee dat domheden bestreden dienen te worden. Het zal niet helpen, maar het houdt de geest levendig. De nare dingen in het leven die niet door mij bestreden kunnen worden, zoals ziektes en de emoties van anderen, probeer ik met zekere berusting te aanvaarden. De wereld is onontkoombaar, maar in mijn houding daartegenover heb ik enige vrijheid. Ik trek mijn wenkbrauwen op, maar ook mijn schouders.

Als de jeugd de energie, de moed en de naïveteit heeft om littekens op te lopen en de ouderdom de wijsheid heeft, zou het verstandig zijn als die met elkaar om zouden gaan. Niet in een gezagsverhouding, maar op gelijkwaardige basis. Als vrienden. Vriendschap is het wederzijds uitlenen van hersens.

Het schijnt moeilijk te zijn om op latere leeftijd nieuwe vriendschappen te sluiten. Dat lijkt mij een vorm van emotioneel conservatisme. Je weet wat je hebt en je weet niet wat je krijgt. Maar het zou juist voor een oudere die als het goed is zijn emoties beter in de hand heeft, geen probleem moeten zijn om zich open te stellen voor een nieuwe persoonlijkheid. Maar er is een moeilijkheid: door beter inzicht in de menselijke psyche zie je sneller wat fout kan gaan in de potentiële relatie. Je weet ook beter wat je kan kwetsen. Als je narigheid ziet aankomen, kan je die ook vermijden. Het nare van ouderdom is dat een vorm van blaséheid niet te vermijden is. Je hebt al zoveel gezien, gehoord, geproefd en meegemaakt. De geschiedenis herhaalt zich iets te veel. Met kunst en eten valt het wel mee: er worden steeds nieuwe dingen bedacht. Maar het menselijke gebrek om fatsoenlijk met elkaar om te gaan is zeer hardnekkig. In de jaren zestig maakte ik mij vreselijk druk om wat de Amerikanen in Vietnam deden. Elke veertien dagen deed ik mee met een mars tegen die oorlog aldaar. Tegen de VS dus. Als ik nu jong geweest zou zijn zou ik demonstreren tegen de daden van Israel of Hamas. Maar ik heb geen duidelijk idee aan welke kant ik nu zou staan. Waarschijnlijk aan de Hamaskant, want die zijn de kleinste. En als iedereen tegen Israel is, zou ik daar voor geweest zijn. Maar natuurlijk deugen ze allemaal niet. Vroeger werd ik boos om de enerzijds-anderzijdsbetogen van ouderen. Als de een gelijk heeft, kan de ander niet gelijk hebben, zo dacht ik in mijn onbezonnenheid. Maar van mezelf hoef ik niet meer aan een kant te staan of dat nu is op het wereldtoneel of bij de moeilijke relaties tussen bevriende stellen. Dat geeft rust. Als de emoties in bedwang zijn, is er meer ruimte voor het intellect. In de loop van de jaren wordt de wereld beperkter, maar de denkkracht is onverminderd. Meer hersens voor minder wereld. Hoe ouder, hoe subtieler.
 
‘Kensington is de populairste gitaarband van Nederland,’ kopt de Volkskrant. Maar ik heb er natuurlijk nog nooit van gehoord. Dat overkomt mij vaak de laatste tijd. Even youtuben. En ik hoor een soort Bruce Springsteenband. De zanger heet Eloi en dat scheelt maar een letter en dan kan het natuurlijk nooit heel slecht zijn. Maar ik heb het al eens eerder gehoord. Voor mijn vader was alle popmuziek hetzelfde. Jengelgitaren, noemde hij dat. Ik begin op hem te lijken. Voor mij is bijvoorbeeld dancemuziek een groot misverstand en het is allemaal dezelfde teringherrie. Ik neem aan dat de danceliefhebber de verschillen hoort. Waar hij subtiel is, ben ik ongevoelig. Buiten mijn kleiner wordende wereld zie ik de nuances niet meer.

Voor een hoop mensen zal de AOW een mijlpaal zijn. Dat zijn mensen die gewerkt hebben bij een baas. Dat heb ik tot het uiterste weten te beperken. En nu glijd ik van de ene uitkering in de andere. Daar schijn ik recht op te hebben. En ik ben officieel vrij van maatschappelijke verplichtingen. Maar het maakt allemaal geen donder uit. La lutte continue.
 

‹ Reizen   2 van 38
U ›