U bent hierHome / Reizen

Reizen


04 Maart 2016

Eloy BGM Everwijn

Mijn eerste reis voerde mij van mijn geboortehuis naar de H. Barbarakerk. Het was bij ons katholieken de gewoonte dat een pasgeborene zo snel mogelijk nadat hij was gebaard werd gedoopt. Die doop was nodig om in de hemel te komen. Als ik dood was gegaan zonder die doop, zou ik in het Voorgeborchte terecht zijn gekomen. Daar zou ik wel gelukzalig zijn, maar het aanschouwen van God zou mij ontzegd zijn. Dat had ik waarschijnlijk geen probleem gevonden, maar mijn ouders en de toenmalige geestelijkheid dachten daar anders over.

Over het feit dat mijn eerste reis echt heeft plaatsgevonden, bestaan geen twijfels. Ik werd in het doopregister bijgeschreven en daar sta ik nog steeds in omdat de Doop een Eeuwigdurend Merkteken is en dat blijf je dus je hele leven bij je dragen. Uitschrijven is onmogelijk.
Uiteraard kan ik me van de hele ceremonie niets herinneren. Van mijn volgende reizen ook niks. Er zijn foto’s van mij in het wandelwagentje in het Kralingse Bos, dat toen nog net zo onvolgroeid was als ikzelf. Ik werd verplaatst naar andere locaties, ongetwijfeld. De eerste reis die ik mij vaaglijk kan herinneren was die naar de kleuterschool. Katholiek natuurlijk. Ik zat in de enige Montessoriklas (de andere waren opgezet volgens de Fröbeldoctrine) die werd geleid door zuster Aloysius, geassisteerd door juffrouw Marianne. De dames vonden mij erg aardig, misschien ook geholpen door de naamgelijkenis, dus het was prettig reizen achterop de fiets van mijn moeder.
Dit waren allemaal reizen met een doel en de doelen waren niet door mij uitgekozen. Toen ik wat groter was en een eigen fiets had, ging ik vaak op pad. Vaak in gezelschap van mijn vriend Jos. Wij fietsten dan naar Delft, aten daar een zak patat en fietsten weer terug. Dat Delft was een pseudodoel. We fietsten ook wel eens naar Gouda of Dordrecht. Daar aten wij dan ook een zak patat. Het fietsen was dus belangrijker dan het doel, maar het doel was wel noodzakelijk. De grap was altijd dat we probeerden als eerste in Delft of weer terug in Rotterdam te komen. Als we het plaatsnaambordje zagen begon de wedstrijd. Jos won meestal. Hij had ook iets betere ogen en benen.
In de jaren zestig was het erg hip om te reizen naar verre bestemmingen. Nog hipper was het om geen bestemming te hebben. Je ging langs de kant van de weg staan met een bordje ‘Calcutta’, maar als je uitkwam in Timboektoe was dat ook goed, wellicht beter, want plannen was niet erg cool, hoewel we dat woord niet gebruikten. Ik heb liften sowieso altijd erg vernederend gevonden. Slijmen met een abject persoon, alleen om ergens te komen. Ik heb het één keer gedaan, gewoon om naar mijn studiestad Utrecht te komen, samen met voornoemde Jos. We stonden nog geen minuut toen er een Alfa Romeo stopte die ons afzette voor de deur waar we moesten zijn. Ik besloot dat ik het toppunt van liften bereikt had en dat het daarna alleen maar tegen kon vallen, dus dat was tevens de laatste keer.
Ik ben er niet op tegen om ergens anders te zijn. Ik ben in Londen, Parijs, Praag, Venetië, Kopenhagen en Berlijn geweest en dat was niet onaangenaam. Maar het grootste probleem van die oorden is dat ze zo ver weg liggen. Ik ben een keer naar Kopenhagen gevlogen en dat is drie kwartier, maar je bent vier uur bezig om in- en uit te checken. Anderhalve dag in een bus zitten van Peter Langhout om in Praag te komen is geen sinecure. De bus is gevuld met anderen die je niet hebt uitgekozen. De enig aangename manier van reizen is in een ruime auto van vrienden.
Maar goed, dan ben je dus ergens anders. Ik lees me altijd in, want ik ben een onzeker mens in het buitenland, omdat ze daar geen Nederlands praten. De enige andere taal waarin ik me een beetje duidelijk kan maken is het Engels, maar elke zesjarige daar praat het beter dan ik. Ik ben als de dood dat ik in zo’n buitenland iets op mijn bord krijg dat ik niet wil en dus lees het culinaire gedeelte van de reisgids met zorg. Zo weet ik dat een kalte Ente geen koude eend is, maar een zwakalcoholisch drankje en mincemeat geen gehakt is, maar een vruchtenprut. Mij kan niks overkomen, denk je dan. En zo kan het gebeuren dat ik in de Dordogne géziers op mijn bord krijg, die thuisgekomen eendenmaagjes blijken te zijn. Het was lekker, maar toch. En wil ik in een dronken bui eens flink doen en andouillettes bestellen, waarvan ik weet dat het pensworst is, blijkt dat inderdaad heel vies te zijn.
In de door mij bezochte buitenlanden loop ik graag in musea, want die begrijp ik. Katholieke kerken, pas de problème. Maar iets kopen in een winkel vind ik eng. Ik ben bang om onbeleefd te zijn of lastig. Ik ken zeer sympathieke mensen die bijvoorbeeld gaan fietsen in Mali of met een plaatselijke, niet-toeristische bus door het Amazonegebied trekken. Ik ken zelfs iemand die het eiland Réunion van zuid naar noord zelfgeörganiseerd heeft doorkruist, maar daar spreken ze Frans en dat heeft hij gestudeerd, dus dat maakt het iets gemakkelijker, maar voor mij is het onbegrijpelijk. Ik heb daar gewoon het lef niet voor. Ik vind het helemaal niet erg dat al die buitenlanden bestaan en ik kijk graag naar ‘Vlaanderen vakantieland’, waar aantrekkelijke presentatoren alleen maar leuke en mooie mensen en dingen zien en meemaken. Uiteraard gesteund door een productieploeg. In hun blik is het Sneekermeer een wereldattractie. Want ook Nederland is buitenland.
Een paar jaar geleden is een gedeelte van de redactie op cruise geweest naar Noorwegen. Een prachtige reis. Ik heb een vaal stormvogeltje gezien en jan van genten. Gletsjers, fjorden. De Noordkaap! Zo ver weg was ik nooit geweest. In Trondheim waren wij op een maandag en dan is natuurlijk ook in Noorwegen alles dicht, behalve de kathedraal. We hadden dorst en we probeerden een café te vinden. Om een of andere reden hadden ze allemaal een te hoge entree voor de rolstoel. Uiteindelijk vonden we een café-achtig iets met een toegankelijke ingang. We gingen naar binnen. Een voor Nederlandse maatstaven uitermate ongezellige inrichting, waar mannen in een groepje niets tegen elkaar zeiden. Twee dronken vrouwen die zeer luidruchtig waren. Bij de norse bardame konden we een bier en een koffie krijgen. Een beklemmende, maar niet-agressieve sfeer. Ik voelde er me uiteraard niet thuis, maar ik begreep het wel. Een nietszeggende, maar aangrijpende ervaring. Achteraf beter dan het zien van mijn eerste zeearend.

Het gaat om het begrip. In Calcutta zou ik niets begrijpen. Die samenleving staat te ver van mij af. België is heel erg buitenland, maar ik begrijp er wel iets van. Kopenhagen staat dichter bij mij dan Maastricht, omdat ik dat afstandelijke doorheb. Ik wil iets meemaken waarvan ik het idee heb dat het een beetje op mij lijkt. Anders heb ik er weinig mee.

Als ik mijn eerste reis zou moeten overdoen, zou ik het weigeren. Ik begreep er niks van.

 

  1 van 38
Oudemannenpraat ›